Je hebt goed nagedacht over het ontwerp van een bijeenkomst en daarin een aantal werkvormen gekozen waarvan jij denkt dat ze gaan helpen om een optimaal resultaat te bereiken. Maar ondanks je goede voorbereiding werkt het niet… Deelnemers hebben geen zin in de creatieve vormen die jij hebt uitgedacht of snappen het niet. Hoe komt dat toch?
In “Het Groot Werkvormen Boek” (2007) beschrijven Sasja Dirkse-Hulscher en Angela Talen een aantal “don’ts” bij het inzetten van werkvormen. Én geven tips voor hoe het wel kan! Een handig spiekbriefje voor iedereen die zich aan het ontwikkelen is als facilitator.
- Vertellen dat je het vandaag eens helemaal anders gaat doen. Helemaal niet gek dat je dat wilt: je hebt er immers goed over nagedacht, ben trots op je innovatieve aanpak of wilt vertellen dat je niet zeker weet of het werkt, maar het eens wilt uitproberen. Het gevaar hiervan is dat mensen de werkvorm ter discussie stellen of het gevoel krijgen dat de manier waarop zij het normaal gesproken doen “niet goed” is. Tip: gewoon aan de slag gaan. Als je laat zien dat jij er in gelooft, helpt dat deelnemers ook om echt mee te doen.
- Zelf passiviteit uitstralen terwijl je een actieve houding van deelnemers verwacht. Jouw gedrag heeft veel invloed op dat van de groep. Dus als je zittend uitlegt dat mensen straks moeten gaan staan past dat niet bij wat je wilt. Actief de beweging inzetten en mensen direct uitnodigen om die beweging ook te gaan doen werkt beter. Of open zijn en feedback serieus nemen als je dat ook van deelnemers verwacht.

- In één keer diverse stappen uitleggen die je van de deelnemers vraagt. Mensen raken dan de draad kwijt en worden onzeker over wat er van ze verwacht wordt. Beter is om de werkvorm stap voor stap uit te leggen en bij elke stap aan te geven waarom die stap belangrijk is.
- Met deelnemers in discussie gaan over de gekozen werkvorm. Het gebeurt vaak dat deelnemers niet zo zien waarom een bepaalde vorm handig is: “dat kost toch veel tijd, laten we gewoon…”. Een discussie levert dan meestal weinig op. Wat wel werkt is voorstellen om het uit te proberen, en te onderzoeken of het werkt zoals je bedacht hebt. Dirkse-Hulscher en Talen geven een handige voorbeeldzin die je in zulke situaties kunt gebruiken: “Ik beluister dat je twijfels hebt over de vorm die ik nu ga doen. Ik wil dit nu afmaken, maar kom tussentijds even bij je terug om te kijken hoe het verloopt en wat we eruit halen”. En het dan gewoon gaan doen!
Wij voegen er nog een vijfde don’t aan toe: vertellen wat je allemaal niet gaat doen en wie er niet zijn en wat je eigenlijk had willen doen maar niet gelukt is. Onderzoek naar breinleren toont aan dat het geheugen het woord “niet” niet opslaat en mensen dus weinig kunnen met deze boodschap. Bovendien focus je door de niet-boodschap op dat wat er niet is in plaats van wat er wel is: mensen die gekomen zijn en die met jou en elkaar aan het werk willen.
Dirkse-Hulscher, S. & Talen, A. (2007). Het Groot Werkvormen Boek. Den Haag: SDU.

